Gewaswisseling

HET BELANG VAN EEN VRUCHTWISSELINGSPLAN IN DE MOESTUIN

 Een nieuwe groenteseizoen neemt zijn aanvang. Voor we aan het zaaien en planten gaan nemen we de tijd om stil te staan bij de theorie van teeltplanning; een soms complexe materie – ook voor de meer ervaren ecologische tuinder – maar een noodzakelijke denkoefening om bodem en gewas gezond te houden voor meerdere jaren.

Bij het opmaken van ons plan voor de ecologische moestuin gaan we uit van het principe van gewaswisseling. Hieronder verstaan we dat je de gewassen in de opeenvolgende jaren per perceel gaat afwisselen zodat ziekten en insectenplagen die tot ontwikkeling kwamen in een gewas de kans hebben uit te doven in de tijd, vooraleer hetzelfde gewas opnieuw op hetzelfde perceel geteeld wordt.

Een voorbeeld: stel dat je de prei elk jaar op dezelfde plaats plant, dan zal je elk jaar een toename vaststellen van de aantastingen door de maden van de preivlieg. Maar ook als je de uien op deze plaats zou zetten, zou je zien dat zij door dezelfde plaag wordt belaagd. Dit is omdat ui en prei tot dezelfde familie horen en hetzelfde insect aantrekken. De conclusie ligt voor de hand: we gaan prei en ui samen elk jaar op een ander perceel zetten om het de preivlieg extra moeilijk te maken.

Een tweede goede reden om aan vruchtwisseling te doen ligt in het feit dat de groentegewassen elk een verschillende behoefte hebben aan voeding. In de ecologische moestuin bestaat voeding vooral uit het geven van compost aan de bodem en occasioneel een extra gift van organische mest.

Bladgewassen als salade en spinazie; vruchtgewassen als courgette, pompoen en tomaat, aardbeien en ook aardappelen zijn gebaat met een goede compostgift. Kolen houden niet van verse compost, maar vragen wel om redelijk gehalte aan stikstof. Wortelen en witloof verlangen dan weer een grond die eerder arm is aan stikstof; terwijl erwten en bonen niet alleen geen compost of stikstof nodig hebben maar ook nog eens zelf de bodem voeden voor de volgende teelt door stikstof uit de lucht op te nemen en via hun wortelknolletjes achter te laten in de grond.

Een goed teeltplan wijst uit welke percelen extra compost krijgen zodat elk perceel het juiste voedingsgehalte zal hebben voor een geslaagde teelt.

De praktijk voor een geslaagde gewaswisseling begint bij de organisatie van je moestuin in een aantal duidelijk afgegrensde en even grote percelen. Daarna deel je de verschillende groenten die je gaat telen in evenveel groepen als er percelen zijn. Die groepen ga je jaar na jaar laten roteren over de verschillende percelen. Vandaar ook de benaming teeltrotatie.

In het eerste voorbeeld gaan we uit van een moestuin met vier percelen. We delen de groenten in vier groepen: de eerste groep is AARAPPEL; de tweede ERWT en BOON; de derde BLAD, KOOL en VRUCHT; de vierde WORTEL en KNOL. Bekijken we nu het eerste perceel in een tijdsverloop van vier jaar: we beginnen met compost toe te voegen aan het eerste perceel . Het eerste jaar worden hier de aardappelen geplant. Het tweede jaar worden op dit perceel de erwten en bonen gezet. De compost is verteerd door de aardappelteelt en de peulgewassen gaan de grond met zuivere stikstof verrijken. De teelt van de erwten en bonen wordt opgevolgd door kolen, blad- en vruchtgewassen in het derde jaar. Het vierde jaar wordt het perceel ingenomen door wortel en knolgewassen. De bodem van het perceel is ondertussen aanzienlijk verarmd hetgeen de ziekteweerstand van de wortelgewassen ten goede komt. Het vijfde jaar hernemen we de cyclus van in het begin; dit wil zeggen opnieuw compost toevoegen en aardappelen planten.

In het tweede voorbeeld gaan we hetzelfde rotatieprincipe verfijnen door gebruik te maken van zes gelijke moestuinpercelen. Voornamelijk de teelt van uien en erwten zal erbij gebaat zijn de cyclus van vier jaar naar zes jaar te brengen. Hoe groter het tijdsinterval vooraleer je eenzelfde teelt herhaalt op dezelfde plaats, hoe gunstiger dat is voor gewas en bodem.

De indeling van de verschillende groentegewassen in dit voorbeeld gebeurt bijgevolg in zes groepen. In goede volgorde zijn dat: AARDAPPEL, PEUL, KOOL, VRUCHT, BLAD, WORTEL.

In eerste instantie krijgt het perceel een compostgift voor de teelt van aardappelen; het jaar na de oogst van de kolen wordt een tweede keer compost gegeven voor het planten van de vruchtgewassen. Een indeling van zes percelen betekent een omloop van zes jaar; het duurt dus zes jaar vooraleer eenzelfde teelt op dezelfde plaats zal staan.

Met de opgedane kennis kan je nu naargelang de beschikbare ruimte gaan experimenteren met acht, tien of meer percelen; nog steeds met de bedoeling om het tijdsinterval tussen twee identieke teelten op hetzelfde perceel te vergroten. Vooral degene die al eens geplaagd werden door in de bodem overlevende schimmelziekten als knolvoet in de koolgewassen of het eveneens zeer gevreesde rot Sclerotinia ,dat zowel in wortel, selder, andijvie of kropsalade, maar vooral in het witloof zwaar kan huishouden, zal interesse hebben het wisselteeltplan blijvend te verfijnen, in de wetenschap dat de sporen van deze schimmels tien of zelfs vijftien jaar in de bodem kunnen overleven.

Als je bijvoorbeeld met tien percelen werkt, heb je de mogelijkheid om de aardappelen over twee percelen te verdelen; de vroege en de late soorten. De witloofteelt wordt onttrokken aan de groep van wortel en knol en krijgt een eigen perceel toegewezen. En ook aardbeien wordt een aparte groep. Een bijkomend voordeel van een tiendelige indeling is dat je winterkolen als nateelt kan plannen in je schema, bijvoorbeeld na de vroege aardappelen. Nateelt van bladgewassen stelt minder eisen aan de gronden is bijna altijd mogelijk.

Welke indeling je ook volgt – of het nu vier- , zes- ,of tiendelig is – wees er zeker van dat je vasthoud aan de juiste opeenvolging van gewassen; zodat je bij je planning niet alleen weet welke teelt het voorbije jaar op het betreffende perceel stond, maar ook de jaren voordien.

Tip voor februari:Begin in februari alvast met het binnenshuis voorzaaien van gewassen met een lange kiem- of groeiperiode: peterselie, knolselder en steelselder, zomerprei ; alsook de eerste courgetten, bloemkool, knolvenkel of kropsla voor een vervroegde oogst. Halfweg de maand zaai je paprika, tomaat, basilicum, meloen, artisjok en aubergine. Verspeen je kiemplantjes binnenshuis tijdig vanaf het ogenblik dat de plantjes twee echte blaadjes vertonen. Verpot ze, diep genoeg, afzonderlijk in kleine potjes en probeer ze langzaam af te harden: van de warme vensterbank naar de koele veranda, naar de onverwarmde serre of in de platte bak..

Let er op dat je jonge plantjes altijd voldoende in het licht staan – zo niet krijg je van die langgerekte plantjes die zich al kruipend een weg zullen zoeken naar de zon.

Onder glas kan je bij de eerste dooi al rucola, mosterdblad, raapsteeltjes, vroege wortel en radijs zaaien.
__________________________________________________________________________________________________